|
Korte inhoud: Door zes principes heeft het Westen eeuwenlang zijn stempel op de rest van de wereld kunnen drukken. Maar die voorsprong kan snel verloren gaan.
Stelling: Westerse beschaving is superieur aan andere, als we er maar in blijven geloven.
Stijl: Soepel verteld, in brede penseelstreken, met flink wat beeldende verhalen.
Geschikt voor: Breed, historisch geïnteresseerd, tikje conservatief publiek
Waardering:
Een van de boeiendste historische
vragen van het moment is: waarom overheerste het Westen en niet
bijvoorbeeld de Chinezen die aan het eind van de (Europese)
Middeleeuwen er zeker zo goed voor stonden? De Chinezen trokken zich
terug in hun Rijk van het Midden, terwijl de Europeanen er op uit
trokken om de wereld te veroveren. Maar nu de rollen omgekeerd
lijken, is het goed om terug te gaan naar de geschiedenis van deze
verhoudingen.
Historicus Niall Ferguson schetst in
brede lijnen de opkomst en dominantie van het Westen. Hij doet dat
aan de hand van zes principes, door hem een beetje trendy als ‘killer
apps’ aangeduid. Dat zijn competitie, medische wetenschap,
wetenschap, werkethiek, consumptie en eigendom. Dat lijkt nogal
beperkt op het eerste gezicht, maar Ferguson maakt er
containerbegrippen van die tot de nok gevuld worden.
Onder wetenschap valt bijvoorbeeld ook
alle technologie, die het Westen een militaire voorsprong gaf. Onder
eigendom valt ook de rechtstaat.
In zijn uitwerking in zes hoofdstukken
dwaalt hij nog verder af. Zijn zes begrippen zijn niet veel meer dan
handige kapstokken waar van alles en nog wat aan gehangen kan worden.
Het geheel is nogal fragmentarisch, soms bijna impressionistisch.
Komt dat doordat dit boek aan de basis lag van een tv-serie?
De competitie tussen verschillende
Europese landen was volgens hem gunstig voor de ambities. Als het ene
land op zoek ging naar aantrekkelijke inkomstenbronnen, wilde het
andere niet achterblijven. Daarbij komt Ferguson dicht bij een van de
verklaringen van Jared Diamond in zijn bekende boek Zwaarden,
paarden en ziektekiemen. Ook de geografie van het verdeelde
Europa hielp mee.
Het is niet eenvoudig te overheersen door een land.
China werd door één heerser bestuurd,
dus toen die een einde wilde maken aan de overzeese avonturen,
gebeurde dat ook.
Maar het idee dat verdeeldheid en
concurrentie goed is en centralisatie verkeerd, gaat niet overal op.
De Verenigde Staten van Amerika profiteerden van de eenheid van de
uiteindelijk vijftig staten. De niet verenigde staten van Latijns
Amerika konden niet mee komen, mede vanwege door die verdeeldheid.
Eigendom was volgens Ferguson een
belangrijke motor achter vernieuwing en uitbreiding van de macht van
het Westen. Maar de ultieme vorm van eigendom, slavernij, droeg niet
bij aan de ontwikkeling van de Verenigde Staten.
Dus de ‘killer apps’ zijn niet per
definitie overal en altijd bruikbaar en van toepassing.
Ferguson toont zich een verdediger van
het imperialisme, met name de Britse variant. Dat bracht toch veel
goede dingen; scholen, ziekenhuizen en kerken. Over de Belgische en
Duitse versies in Congo en Namibië is hij, terecht, een stuk
kritischer. De Duitse praktijken in zuidwest-Afrika, waarbij gepoogd
werd hele volkeren uit te moorden, waren volgens hem een voorbode van
de Jodenvervolging. Dat wordt overigens allemaal besproken in het
hoofdstuk ‘Medicine’, waar het bijna niet gaat over
gezondheidszorg.
De gevaarlijkste tegenstander van de
westerse beschaving was uiteindelijk zijzelf. Daarmee doelt Ferguson
in eerste instantie op de wereldoorlogen van de twintigste eeuw. Maar
bijna nog erger is nog dat de westerlingen geen vertrouwen meer
hebben in de eigen beschaving.
Hij waarschuwt ons dat beschavingen
snel kunnen instorten. Dat hoeft geen eeuwenlang proces te zijn. Dat
gold bijvoorbeeld voor het Romeinse Rijk, de eerste superieure
westerse beschaving. En het gold ook voor de imperia van de
West-Europese landen, die ze razendsnel verloren na de Tweede
Wereldoorlog.
Andere landen zijn begonnen om de
westerse ‘apps’ over te nemen, waarbij Japan voorop liep. Het
Westen heeft niet meer het alleenrecht op deze verworvenheden, maar
niet-westerse landen hebben over het algemeen maar een deel van het
pakket overgenomen. Daarom is er volgens Ferguson geen reden om al te
pessimistisch te zijn, als we maar niet zelf het geloof in de
superioriteit van onze beschaving verliezen en – oh horror –
cultuurrelativsten worden.
Hij eindigt met een nogal idealistisch
beeld: een beschaving wordt gevormd door de teksten die op school
worden onderlezen. We moeten allemaal Shakespeare lezen, is het
advies van Ferguson. Zou dat echt helpen in de concurrentie met
China?
Dit is een boek dat met brede
penseelstreken de geschiedenis schetst, hier en daar aardig ingevuld
en zeker zeer leesbaar geschreven.
Maar het concept van de ‘killer apps’
blijkt minder leidend dan Ferguson het voorstelt. Het leidt tot
shoppen in de geschiedenis, waarbij zaken die in het betoog passen er
uit worden gepikt. De rest blijft onbesproken.
Dit boek is zeker net zoveel een
verdediging als een beschrijving van de westerse beschaving. (Net als
zijn eerdere boeken, zoals Empire). Wie zijn geschiedenis met sjeu en
met een duidelijke conservatieve kleuring opgediend wil hebben, is
hier aan het goede adres. Wie een meer gedegen en genuanceerd werk
zoekt, moet verder zoeken.
Niall Ferguson, Beschaving. Het Westen en de rest. (2011) Vertaling van Civilization. The West and the Rest (2011)
|