Het
regent boeken van, met en over politici, dus de verkiezingen zullen er
wel aankomen. Maar omdat die een half jaar eerder zijn dan gedacht,
zijn het haastklussen. Sommige politici schakelen dan een journalist
in, maar premier Jan Peter Balkenende is zelf achter het toetsenbord
gekropen. Hij leefde zich op 3 oktober flink uit en schreef hij 28
brieven aan mensen die hij de laatste jaren had ontmoet, maar ook aan
Jan Modaal en ‘ de kiezer’. Een kaftje eromheen en klaar is Kees.
Het zijn natuurlijk geen echte brieven, maar
verkiezingspraatjes in briefvorm. Balkenende spreekt elke mogelijke
doelgroep aan: een agent die gewond raakte in het Haagse Laakkwartier,
schaatster Marianne Timmer, zijn chirurg Eelco de Graaf, majoor
Bosshardt en aartsbisschop Simonis, moeder Annelies de Graaf, een
oudere, een ondernemer etc. Standaardboodschap: het kabinet heeft het
ontzettend goed gedaan de laatste jaren, maar het kan nóg beter. En dat
moeten we ‘ gezamenlijk’ doen.
De brieven staan bol van de
felicitaties aan het eigen adres. Wat een verademing als een spoortje
zelfkritiek klinkt in de brief over het ‘ nee’ tegen de Europese
grondwet aan voorzitter José Manuel Barroso van de Europese Commissie.
Interessant is ook dat hij bondskanselier Angela Merkel meldt dat een
grote coalitie hem geen sinecure lijkt.
Herhaling is misschien niet
te vermijden als je zo veel brieven op één dag moet schrijven. De
politieman, de moeder en de onderwijzer krijgen te horen dat
verbetering niet alleen een kwestie van geld is. Ook het fatsoen komt
uiteraard vaak terug. Maar is het wel netjes deze mensen te gebruiken
in een boekje dat niet veel meer is dan een verkiezingspamflet?
Balkenende schrijft af en toe dat hij behoefte heeft bepaalde zaken
duidelijk te maken, maar de geadresseerden krijgen niets nieuws te
horen.
De argwanende lezer bekruipt soms het gevoel getuige te
zijn van een geslaagde persiflage. Aan tv-presentarice Lucille Werner
schrijft hij: ‘ Lieve Lucille, uiteraard blijven we allemaal naar jou
kijken. Zo veel hartelijkheid kunnen we niet missen. Zo’n stralende
lach hebben we van tijd tot tijd nodig. Zulke positieve programma’s
houden de moed er in.’
En dan de laatste zinnen aan de
medeleerlingen van zijn dochter Amelie. ‘ Zullen we, beste
klasgenootjes van Amelie, iets afspreken? Jullie doen extra je best op
school en wij van de regering in Den Haag zullen er hard aan werken om
ons mooie Nederland te laten slagen. En ik beloof jullie dat ik mijn
uiterste best zal doen voor jullie toekomst. Afgesproken?’ Wat moeten
we nu als vanuit Amelies klas een hardgrondig ‘ nee’ klinkt?
Twee
brieven steken er bovenuit. Aan mevrouw De Laat, die hem op 2 november
2005 aansprak bij de herdenking van de moord op Theo van Gogh, schrijft
Balkenende dat hij er erg tegenop had gezien om aanwezig te zijn. Over
Van Gogh schrijft hij: ‘ Echte vrienden zouden we vermoedelijk nooit
geworden zijn. Maar dat kwajongensachtige lag me eerlijk gezegd wel.’
Eerlijk? Hij vertelt dat hij op de dag van de moord niet in Amsterdam
was, omdat minister Rita Verdonk er al sprak. ‘ Een discussie over
poppetjes leidde maar af van waar het eigenlijk om moest gaan.’
Een
echte vraag stelt hij Harry Mulisch. De premier vraagt zich af waarom
Nederlandse intellectuelen, kunstenaars en schrijvers zo weinig van
zich laten horen over de grote onderwerpen van deze tijd. Hij mist‘ een
vlammend publiek debat over ‘ wat ons bindt, eenheid, verscheidenheid,
basiswaarden en identiteit’. Of je het hiermee eens of oneens bent,
deze stelling maakt nieuwsgierig naar het antwoord van bijvoorbeeld
Mulisch.
Maar spelen politici zelf niet een belangrijke rol bij
het ontbreken van grote, bezielende verhalen? Een antwoord is te vinden
in twee andere boeken, beide coproducties van journalisten en politici.
Paul Witteman sprak met lijsttrekker André Rouvoet van de ChristenUnie
en Michiel Zonneveld met Femke Halsema, aanvoerder van GroenLinks.
Rouvoet
pleit met zo veel woorden voor de herintroductie van ideologie in de
politiek. Politieke partijen moeten meer vanuit eigen uitgangspunten
opereren. Hij constateert, niet ten onrechte, dat veel partijen naar
het midden kruipen. Politici zweven naar die standpunten waarvan zij
verwachten dat die op brede steun kunnen rekenen.
Halsema
bekritiseert het populisme dat in de grote partijen opduikt. Dat is
gebaseerd op de mythes dat het volk met één stem spreekt en dat met een
beetje doorpakken alle problemen kunnen worden opgelost zonder dat
iemand er nadeel van ondervindt. Beiden keren zich tegen ‘ de terreur’
(Rouvoet), dan wel ‘ de manie’ (Halsema) van de opiniepeilingen.
Er
vallen meer overeenkomsten op tussen Halsema en Rouvoet. Ze hechten
weinig geloof aan staatkundige vernieuwingen. Veranderingen in het
staatsbestel lossen uiteindelijk niets wezenlijks op. Ze hameren op
idealen, die politici moeten verwoorden. Het is het te verwachten
geluid van twee kleine, principiële partijen. Halsema nodigt de
ChristenUnie zelfs uit tot deelname aan een linkse coalitie.
Nog
een overeenkomst in de boeken van de duo’s Halsema/Zonneveld en
Rouvoet/Witteman: de interviewer laat de politicus aan het woord.
Witteman heeft de opname letterlijk uitgewerkt, waarna weinig moeite is
gedaan de tekst leesbaar te maken. Want spreektaal is zelfs bij de
welsprekende Rouvoet niet altijd schrijftaal. ‘ D66 werd naderhand
zelfs nog weer, door eigen toedoen dan, geloosd, dus nu als
minderheidskabinet.’ Een beetje meer redactie had niet misstaan. En een
beetje meer inhoud ook niet. Zo ontbreekt een echte analyse waarom de
grote partijen het midden opzoeken en waarom ze zo weinig ideologisch
bevlogen zijn.
Zonneveld heeft er een zeer leesbaar verhaal van
gemaakt, dat niet vreselijk diepgravend of kritisch is, maar in elk
geval een compleet beeld geeft van Halsema’s persoon en opvattingen. Ze
beschrijft haar politieke leerschool, de problemen die GroenLinks kreeg
na 2001 en haar omgang met haar privéleven ten bate van de politieke
pr. Dat blijft schipperen. Haar uitspraak ‘ mijn kinderen en mijn
vriend komen niet in beeld’ is al achterhaald. De tweeling bestormde
het podium toen ze haar toespraak tot het congres hield.
Het is wel
aan te raden eerst het nawoord te lezen waarin Zonneveld en Halsema
vertellen hoe het idee voor het boek al in 1997 tijdens een rit in een
Thaise nachttrein ontstond.
Verschenen in het Parool van 19 oktober 2006
Aan de kiezer, Brieven van Jan Peter Balkenende,
Zwevende politici. Paul Witteman in gesprek met André Rouvoet over
opportunisme in Den Haag
Linkse lente: Femke Halsema in
gesprek met Michiel Zonneveld
|