’s Heeren Slaaf. Het dramatische leven van Jacobus Captein

november 5, 2006

jacobuscapteinRecensie door: Luc Panhuysen

Hoeveel materiaal heeft een biograaf nodig om zijn verhaal een eigen kleur en geluid mee te geven? Henri van der Zee, oud-correspondent van de Telegraaf in Londen, vertelt de geschiedenis van Jacobus Captein, een ex-slaaf over wie niet veel bekend is, en noemt dat leven zelfs `dramatisch’.
Wat beslist aan het drama toevoegt, is de wrede onafwendbaarheid waarmee alle tegenspoed zich ontvouwt. Jacobus Captein (1717-1747) werd niet oud, en ook dat lijkt logisch te midden van zo veel verwarring.
Zijn leven begon in volkomen onschuld, hoogstwaarschijnlijk in een dorp in West-Afrika. Op achtjarige leeftijd werd hij ontvoerd door slavenrovers. Vanaf dat moment ging hij van hand tot hand: hij werd verkocht aan een Zeeuwse zeekapitein, die hem vervolgens cadeau deed aan een koopman van de West Indische Compagnie (WIC). Hij ontmoette in korte tijd veel sympathieke Nederlanders die zich over hem ontfermden en hem kansen boden waar een witte knul van zeventien alleen van kon dromen. Niets leek zijn geluk in de weg te staan.

 

Jacobus bezat dan ook een combinatie van talenten en zeldzaamheidswaarde die achttiende-eeuwers met vaderlijke gevoelens en een ruime beurs wilden sponsoren. Hij was blij met alle gunsten die hem toevielen en legde zich toe op het verdienen van de goedkeuring van zijn meesters. Na aankomst in Nederland werd Jacobus bevrijd, slaaf-af, en stelde zijn pleegvader hem zelfs in staat theologie te studeren aan de fameuze universiteit van Leiden. Jacobus kreeg het Latijn onder de knie en ontwikkelde zich spoedig tot een bezienswaardigheid, tot onderwerp van lofdichten over deze `geleerde Afrikaanse Moor’ en `zwarte met een wit hart’.
En zoals dat ging in de Republiek, ving iedereen die boven het maaiveld uitstak de toegewijde aandacht van de gereformeerde kerk. De talentvolle zwarte werd de oogappel van enkele calvinistische geleerden, die hem diepgaand beïnvloedden. In deze jaren, onder de lage Nederlandse hemel, vindt het eerste stadium van het drama plaats, de gelukkige wending die zijn leven had genomen beet zichzelf in de staart. Captein was vatbaar voor de Tale Kanaäns en voelde zich geroepen Afrika voor de gereformeerde kerk te winnen.
Toen hij op 10 maart 1742 zijn proefschrift verdedigde in het volgepakte Auditorium van de universiteit, was sprake van een sensatie. Niet alleen stond hier de eerste zwarte in Europa die doctor in de godgeleerdheid werd, de inhoud van zijn proefschrift gaf stof tot verbijsterde instemming. `Onderzoekschrift over de slavernij, als niet strijdig tegen de Christelijke Vrijheid’, klonk het ferm, waarna Jacobus meer dan twee uur lang betoogde dat `de heidenen’ niet door God waren uitgesloten van het Hiernamaals. Dat verkoop en bezit van slaven verenigbaar waren met het christendom bewees hij door een verwijzing naar Paulus’ brief aan Philomenon, waarin het geruststellend heet dat een gekerstende slaaf gewoon slaaf blijft.
De predikanten en regenten konden Jacobus’ prestatie waarderen, en stelden tevreden vast dat hij hen evenaarde in wijdlopigheid en theologische precisie. Bovendien was het voor de Republiek van de vroege achttiende eeuw balsem voor het geweten dat een zwarte het voor de slavenhandel opnam. Nederland was al een poosje niet meer de handelsnatie die alle windrichtingen domineerde en probeerde uitgerekend met de winstgevende slavenhandel weer iets van de Gouden Eeuw te doen herleven. Hoewel het aantal kooplieden dat de slavenhandel verwierp uiterst klein was, klonk al wel protest.
Jacobus Captein bracht de West Indische Compagnie (WIC) en de kerk nog meer voordelen. De vestigingen van de WIC aan de Afrikaanse Goudkust, de stapelplaatsen voor inlandse slaven, stonden bekend als oorden waar de handel werd geplaagd door dronkenschap, zedeloosheid en wanhoop. Met Jacobus Captein in kasteel Elmina, de belangrijkste post, kon een begin worden gemaakt met de beschaving van de wilden èn de blanke kolonie.
Zo keerde de zwarte, die geleerd had uit te blinken in wit denken, terug naar zijn geboorteland op een schip dat gedurende zijn maandenlange reis ` armazoen’, slaven, inkocht tegen `cargazoen’, waardevolle goederen. Het is hier dat het boek ineens volschiet met leven en het drama  toeslaat. We weten niet wat er in Jacobus omging, maar wel dat de respectabele dominee in dienst van de Compagnie getuige was van het inladen van `kroesvee’ en de behandeling van zijn rasgenoten door slavendrijvers.
Alleen al het brandmerken; veel slaven hielden er een chronische infectie aan over. Soms ontaardden slavenschepen in bacteriële vulkanen en konden al op tientallen kilometers afstand worden geroken, niet in de laatste plaats door de haaien, die wekenlang in het zog meezwommen. In ooggetuigeverslagen van die tijd passeren slaven de revue die onophoudelijk huilen, apathisch zijn geworden of allerlei tics hebben opgelopen. In zestig jaar tijd heeft de Compagnie uit het kleine gebied van de Goudkust ongeveer 35.000 slaven weggehaald, waarvan zestig procent het transport niet overleefde.
Voor Jacobus was de terugreis nog maar het begin. In kasteel Elmina werd hij tegengewerkt door de witte veteranen, die niets moesten hebben van zijn beginnersijver en hem nauwelijks anders konden zien dan een verklede slaaf. Ook met de dorpelingen, de inheemse handelspartners van de Nederlanders, raakte hij niet op vertrouwde voet. Ondertussen trok zijn eigen volk vermagerd, geketend en verdoofd aan hem voorbij.

Bij niemand kon hij terecht, dus verpakte hij zijn eenzaamheid in zelfbeheerste brieven aan het verre Nederland. Maar de postdienst was traag en in zijn geval karig. Zijn vriendenkring verdween langzaam maar zeker achter de horizon, de heren van de compagnie en die van de kerk negeerden stelselmatig alle signalen over intriges. Vijf jaar heeft hij het uitgehouden. Van der Zee maakt aannemelijk dat zijn dood op 1 februari 1747 zelf was verkozen.

Hoe weinig bronnen dit dramatische bestaan ook heeft nagelaten – een proefschrift, enkele brieven en een handvol gelegenheidsverzen – het hindert de lezer geen moment. Door achtergronden te tonen waar correspondentie en gedichten zwijgen en door de zeldzame schizofrenie in Jacobus’ levensloop zijn werk te laten doen, heeft Henri van der Zee een pareltje geschreven.

Henri van der Zee, ’s Heeren Slaaf. Het dramatische leven van Jacobus Captein

(Visited 88 times, 1 visits today)

Geen reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.