Consensus en polarisatie in de Nederlandse politiek

augustus 27, 2017

Wat zeggen de belangrijkste politieke boeken over 2017 ons?

Voor de Prinsjesboekenprijs 2017, de prijs voor het beste politieke boek, waren tien boeken genomineerd. Ik las er 9 en leerde vooral over consensus en polarisatie in de Nederlandse politiek. En over de noodzaak van kiezen.

Stabiliteit

Wie vanaf een afstandje de Nederlandse politiek bekijkt ziet stabiliteit en continuïteit. De afgelopen 15 jaar waren er twee premiers, van twee partijen die allebei meer dan de helft van die periode in de regering zaten. Ministers werden sinds 1977 geleverd door slechts zes verschillende partijen. Nooit was er een regering zonder de deelname van minstens een partij die de vorige periode ook had geregeerd. Dramatische breuken in het beleid waren er amper. En bij de laatste verkiezingen kwam tachtig procent van de kiezers stemmen.
Toch is het beeld van de Nederlandse politiek vaak anders: instabiel, wispelturig, crisis, onder druk. Maar het idee van crisis hoort nu eenmaal bij de democratie, schrijft politicoloog Tom van der Meer in  Niet de kiezer is gek. Crisis en conflict overheersen ook in de politieke boeken.
“Er is iets verrot in de staat van Nederland,” schrijft hoogleraar en CDA-prominent Ferdinand Grapperhaus zelfs in rechtsstaat Rafels aan de Rechtsstaat. Hij schetst een beeld van een land waarvan volgens hem de samenhang ernstig onder druk staat.
Dat blijkt uit gebrekkige integratie van nieuwkomers, uit individualisme en door het ongeremde kapitalisme. Hij ziet een land waarin iedereen voor zichzelf moet opkomen en het collectief en de zwakkeren in de verdrukking komen. Het mondt uit in een wat conservatief pleidooi voor een meer egalitaire gemeenschap. Dit is geen boek over politiek, zoals de meeste boeken die voor deze prijzen zijn voorgedragen, maar een pamflet dat een bepaalde onvrede pregnant verwoordt.

Extreem of radicaal?

Onvrede is er ook volop in het boekPVV Wegen naar Wilders, waarin acht PVV-kiezers uitgebreid hun verhaal doen. In zijn analyse legt socioloog en bestuurskundige Koen Damhuis uit dat de PVV uitgaat van een driedeling van het goede volk, de slechte elite en de parasiterende derde; de migrant of vluchteling. De PVV combineert hierbij culturele en economische waarden: Mijn geld niet naar een buitenlander.
Opvallend zijn de overeenkomsten met de ideologie van de Centrumpartij, later CentrumDemocraten. In het boek janmaatIn de ban van goed en fout van historicus Jan de Vetten worden deze partijen ontdaan van het label extreem-rechts. In plaats daarvan plaatst hij ze dichter bij de PVV met de noemer ‘radicaal rechts’. Of dat de CP/CP met terugwerkende kracht minder extreem maakt, of de PVV bij nadere beschouwing extremer, is natuurlijk de vraag.

De erfenis van Pim

Tussen de CD en de PVV zat, in de tijd gezien, de LPF. Na de moord op Pim Fortuyn waren de Kamerleden van de LPF zijn politieke erfgenamen. Het beheer van zijn nalatenschap werd geen succes. Ook bij hun terugblikken in het boek Fortuyn De kinderen van Pim van journalist Joost Vullings kunnen ze het niet laten om hun oude vetes nog eens uit te vechten. Velen van hen stemmen nu op de VVD. Oud-LPF-Kamerlid Olaf Stuger stapte wel over naar de PVV.
De opkomst van populistische partijen is een van de belangrijkste ontwikkelingen van de afgelopen jaren. Daarmee samenhangend is er een verhevigde discussie over ‘de democratie’. Deugt die nog wel? Komt iedereen aan bod? Wilders sprak over het ‘nepparlement’. In een uitgebreid onderzoek, met soms helaas niet erg actuele gegevens, lieten politicologen nepparlementArmen Hakhverdian en Wouter Schakel zien dat laagopgeleiden en hun opvattingen ondervertegenwoordigd zijn in het parlement. Die opvattingen zijn cultureel conservatief (tegen migratie en Europa) en economisch links. Niet als eersten constateren zij in dit deel van het spectrum een vacuüm zit, maar tot dusver is niemand er in geslaagd om dat te vullen.
Dat is des te opvallender omdat het Nederlandse democratische systeem behoorlijk open is. Volgens Van der Meer is het zelfs ‘radicaal vertegenwoordigend’. Bijna nergens krijgen nieuwe partijen zo makkelijk toegang tot het parlement. Is die stelling in overeenstemming te brengen met de beweerde ondervertegenwoordiging van laagopgeleiden?

‘Er moet een laagopgeleide bij’

Er is geen crisis van de democratie, schrijft Van der Meer. De kiezer is gaan kiezen en dat leidt tot grotere wisselingen in de uitslagen. Nu moet de politicus ook gaan kiezen, adviseert hij. Die moet van te voren duidelijk maken met wie zijn partij gaat regeren, weer grote verhalen gaan vertellen en niet bang zijn om een minderheidsregering te vormen.
Ik schreef hier bewust over een mannelijke politieke leider. Dat is nog steeds verreweg de meest voorkomende variant, blijkt ook uit het boek Hare Excellentie van politicoloog Monique Leyenaar. Ze schrijft over de 33 vrouwelijke ministers die Nederland kende sinds 1956 (tegen 180 mannen). Ook hier, zou je kunnen zeggen, is sprake van ondervertegenwoordiging. Toch is er een geleidelijk stijgende lijn van het aantal vrouwelijke ministers, met af en toe een terugslag. Of de emancipatie van de laagopgeleide ook deze kant opgaat, valt te bezien. Wordt de kreet ‘er moet een vrouw bij’ ooit vervangen door ‘Er moet een laagopgeleide bij’? (Over vertegenwoordiging gesproken: Leyenaar is de enige vrouw onder de schrijvers van de genomineerde boeken.)
Waar Van der Meer de positieve kanten van de Nederlandse democratie belicht, wijst historicus Geerten Waling in Zetelroof op een gevoelige plek: de enorme fractiediscipline. Een teken van de onrust van de afgelopen jaren is de toename van het aantal ‘zetelrovers’, Kamerleden die uit hun fractie stappen, maar hun zetel behouden. In sommige gevallen zijn dat politici die zijn gaan ‘kiezen’ zoals Wilders die vanwege een inhoudelijk verschil van mening met de VVD brak. Maar soms zijn het persoonlijke conflicten of integriteitskwesties die zorgen voor een breuk tussen partij en politicus.

Consensus versus polarisatie

In veel van deze boeken spelen twee fundamentele verschijnselen van de Nederlandse politiek een hoofd- of bijrol, al worden ze niet altijd zo benoemd. Dit bestel drijft aan de ene kant op consensus. Partijen hebben coalitiepartners nodig om te regeren. Dat leidt tot gebrek aan inkleuring en profilering.
De paarse kabinetten maakten een einde aan een lange periode waarin PvdA en VVD elkaar uitsloten. Dat zorgde ervoor dat er nog minder te kiezen was of dat keuzes tot een paradoxaal resultaat leidde. Wie in 2012 op de PvdA stemde om de VVD buiten de deur te houden, of vice versa, die kreeg die ander er juist bij. Een sterke consensus is ook te zien bij de grote fractiediscipline en het eensgezind uitsluiten van de CD en CP in de jaren tachtig en negentig door de andere partijen. Zie het ook in de opstelling van partijen als CU, D66, SGP en GroenLinks die de afgelopen jaren bereid waren de regering in voorkomende gevallen te steunen.

Aan de andere kant leidt het open stelsel tot fragmentatie en polarisatie, met een brede vertegenwoordiging van allerlei stromingen. Er zijn nu drie christelijke partijen in de Kamer, twee populistisch-rechtse partijen, drie (kleine) linkse partijen, twee liberale partijen en dan nog een paar uit de rubriek overige. Het Nederlandse partijenlandschap uitleggen aan een buitenlander vergt heel wat kennis en subtiliteit.
Die fragmentatie bestaat al lang, alleen kennen nu meer partijen een jojo-bestaan en zijn er geen echt grote partijen meer. Ze gaan op en neer in de kiezersgunst. Ik vermoed dat dit nog wel even zo blijft. Toch is ook niet uitgesloten dat het verlangen naar consensus dominant blijft, al doet een forse delegatie in het parlement daar niet aan mee. Er is ook geen ideale mix van consensus en polarisatie.

Utopie

Veel van deze politieke boeken zijn nogal ‘Haags’. Alsof alleen daar politiek wordt bedreven. Politiek is toch meer dan het parlement, het Binnenhof en de ministeries daarom heen. De internationale dimensie ontbreekt grotendeels. Waar is Europa? Dat is toch een belangijke plek van de macht tegenwoordig.
Filosoof en voormalig Denker des Vaderlands Hans Achterhuis kiest in UtopiaKoning van Utopia wel een bredere horizon. Bij hem gaat politiek om ideeën. In een persoonlijk getint verslag beschrijft hij hoe de utopie in de jaren zestig nog lonkte als een echt alternatief, een radicaal andere wereld. Maar hij nam er afstand af en werd de grote anti-utopist die ieder hemelbestormend ideaal verwierp. Dat zou maar tot ellende leiden.
Maar nu ziet hij noodzaak voor utopische experimenten, om de verstikking van de vrije markt te doorbreken, een opvallende overeenkomst met het pleidooi van Grapperhaus. Over de utopische verlangens valt nog meer op te merken, maar in de ‘Haagse’ context kan die gedachte van ‘een andere wereld’ inspirerend zijn voor de politici die iets verder zouden moeten kijken dan het volgende regeerakkoord.

 

 

Uitgebreidere besprekingen hier.

  • Hans Achterhuis, Koning van Utopia. Voormalig Denker des Vaderlands herwaardeert de utopie. (Lemniscaat)
  • Koen Damhuis, Wegen naar Wilders – Gesprekken met uiteenlopende PVV-stemmers (Arbeiderspers)
  • Joost Vullings, De kinderen van Pim – Interviews met bijna alle LPF-Kamerleden (Lebowski)
  • Armen Hakhverdian & Wouter Schakel, Nepparlement? – Analyse van gebrek aan vertegenwoordiging van lager opgeleiden in het parlement (AUP)
  • Jan de Vetten, In de ban van goed en fout – De eensgezinde bestrijding van de Centrumpartij en Centrumdemocraten van Hans Janmaat in de jaren tachtig (Prometheus)
  • Ferdinand Grapperhaus, Rafels aan de rechtsstaat – Pamflet waarin gebrek aan gemeenschapszin in Nederland wordt bekritiseerd (Prometheus)
  • Geerten Waling, Zetelroof – Een verdediging van de zetelrovers en een aanval op de grote macht van de politieke partijen
  • Tom van der Meer, Niet de kiezer is gek. Bevlogen pamflet over de vermeende crisis in de democratie en de echte crisis van de gevestigde partijen

 

 

 

 

(Visited 63 times, 9 visits today)

Geen reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *