Het verraad van Anne Frank en De verraadster

februari 13, 2022

Verraad, dat is misschien wel erger dan moord en doodslag. Misdaden gepleegd door vijanden, die zijn te verwachten. Maar verraad pleegt iemand die je op een of andere manier vertrouwt, het komt onverwacht. En het draagt een grote last. Niet voor niets heeft Dante de negende en laagste cirkel van de hel voor de verraders gereserveerd.

Verraad staat centraal in twee recente boeken: het al veelbesproken Het verraad van Anne Frank, geschreven door de Canadese schrijver Rosemary Sullivan, en De verraadster van Erik Schaap. Beide spelen in de tijd van oorlog en bezetting en dat zet het thema van het verraad extra scherp neer. Was verraad toen erger omdat de gevolgen zo dramatisch waren of moeten we juist enig begrip opbrengen voor de verraders die met het verklikken van anderen misschien hun eigen leven probeerden te redden?

Verraad is ook een fundament voor totalitaire regimes. Netwerken van informanten en het ondermijnen van het alledaagse vertrouwen tussen mensen zijn essentiële elementen van dergelijke systemen. Je kunt je niet verschuilen, is de boodschap. Nergens ben je buiten het blikveld van de staat, want die wordt geïnformeerd door je buren, je kinderen of echtgenoot.

Het is dus niet vreemd dat er ook een sterke behoefte kan zijn om verraders te ontmaskeren, en dat dit zeer pijnlijk kan zijn. Dat streven kan te ver gaan, als het idee ontstaat dat als ‘de verrader’ is aangewezen, het kwaad gelokaliseerd en geïdentificeerd is. De verrader kan dan als zondebok functioneren, waarbij lastige vragen over bredere betrokkenheid bij misdaden vermeden kunnen worden.

Het Achterhuis

Volgens het boek Het verraad van Anne Frank is de meest gestelde vraag van bezoekers aan het Achterhuis in Amsterdam: wie verraadde Anne Frank? Dat wordt gebracht als een van de redenen voor het grootschalige coldcase-onderzoek naar de kwestie hoe de nazi’s erachter zijn gekomen dat op de Prinsengracht mensen  verscholen zaten. Het hoofd onderzoek van het team, Pieter Twisk, stelt in zijn voorwoord dat het antwoord op die vraag meer zou zeggen over hoe mensen in onvrijheid denken en handelen. Dat zou kunnen, al werd Anne Frank – uiteraard – pas na de oorlog bekend als schrijfster van een indrukwekkend dagboek, en daardoor symbool voor de vervolging.

Want op zich zegt het verraad van Anne Frank, of beter gezegd van de schuilplaats aan de Prinsengracht waar zij verbleef, net zo veel of weinig als talloze andere voorvallen uit deze tijd. Er is niet één gebeurtenis waarvan het verslag of de ontknoping opeens nieuwe inzichten geeft. Hele goede verhalen doen dat uiteraard wel.

Ontrouw

Een dramatisch verhaal uit die tijd is dat over Franci Siffels, de hoofdpersoon in De verraadster. Franci was een goed uitziende jonge vrouw uit een communistisch nest in de Zaanstreek. Haar vader was voor de oorlog raadslid voor de communistische partij en haar latere echtgenoot Dingeman de Munck Hij ging in Spanje vechten als vrijwilliger aan republikeinse kant. Het werd voor hem en zijn Zaanse strijdmakkers een deceptie door de chaos aan het front. De Munck kwam  zelfs in een Spaanse gevangenis terecht en ternauwernood wist hij terug te keren. In 1939 trouwde hij na een korte romance met Franci.

Maar toen de oorlog kwam en Dingeman in Amsterdam onderdook, bleek hij het beter te kunnen vinden met Franci’s zus Riek. Die ontrouw zette Franci ertoe aan zich naar de Euterpestraat in Amsterdam te begeven, waar het hoofdkantoor van de Duitse Sicherheitsdienst  (SD) was gevestigd. Door haar rol in het Zaanse verzet en de contacten van haar vader wist ze veel. Het bleef niet bij het verraad van haar man, die ondanks arrestatie de oorlog overleefde. Franci infiltreerde in verzetsgroepen, kwam herhaaldelijk met het verhaal dat ze hulp nodig had omdat ze arrestatie vreesde. Ze verraadde honderdvijftig verzetsmensen, onderduikers en Joden.

Schaap heeft het verhaal van Franci beeldend en levendig opgeschreven, dicht op de gebeurtenissen, met veel details. Opvallend is de breedte van zijn bronnen: documenten uit die tijd, maar ook verklaringen achteraf. Soms neemt Schaap enige vrijheid om de gebeurtenissen in te kleuren en in zich in zijn karakters in te leven. Maar dat gaat niet over wezenlijke zaken. Hij maakt ook duidelijk wanneer hij zaken niet weet. Er zijn nu eenmaal onbeantwoorde vragen over het verleden.

Moderne technieken

Schaap hoedt zich er voor om bredere lessen te willen trekken uit de geschiedenis die hij heeft opgediept.  Die bescheidenheid staat in contrast met het voorwoord in het boek Het verraad van Anne Frank, geschreven door het hoofd onderzoek. Hij heeft het over democratische verworvenheden en ‘onze eigen potentiële medeplichtigheid’ aan misdaden. Het project ging ook in meer technische zin van start met de nodige pretenties. Dit keer zou het verraad op een alomvattende, vernieuwende en multidisciplinaire manier worden onderzocht, met moderne technieken. Alle eerdere onderzoeken hadden onvoldoende opgeleverd en waren niet grondig genoeg. Kosten noch moeite werden gespaard, zo wordt nadrukkelijk gesteld.

En ja, het is een indrukwekkend arsenaal dat de onderzoekers in stelling hebben gebracht. Van het ‘buurtonderzoek’ naar de omwonenden van het Achterhuis tot het meer traditionele werk in archieven. Er worden forensische methoden gebruikt en kunstmatige intelligentie. Dat speurwerk, onder andere in de VS, heeft ook nieuwe vondsten opgeleverd. Maar is de zaak ook opgelost?

Kritiek

Het eerste deel van het boek bestaat uit een onopmerkelijke weergave van wat de familie Frank is overkomen. In het tweede deel komen de onderzoekers zelf prominent in beeld. Die onderzoekers hebben het boek niet zelf geschreven, maar dat laten doen door Sullivan, een Canadese dichter en historicus. Er zit dus een intermediair tussen het onderzoek en het boek. Niet alles wat de onderzoekers hebben beweerd staat in het boek. Omgekeerd hebben de onderzoekers afstand genomen van bepaalde formuleringen in het boek.

Na de verschijning van het boek barstte de kritiek los, vooral van historici met verstand van deze periode. Geen van hen was betrokken bij dit onderzoek. Het is uiteraard onmogelijk om het boek te lezen en te beoordelen zonder dat commentaar daarin mee te wegen. Toch denk ik dat de bewijsvoering in het boek ook zonder kennis van die latere kritiek niet overtuigend is.

De Joodse notaris

De onderzoekers hebben naar eigen zeggen dertig verschillende scenario’s onderzocht die hebben kunnen leiden tot de vondst van de schuilplaats. In het boek worden ze niet allemaal beschreven, maar worden de belangrijkste uitgewerkt. Eén voor één worden theorieën over mogelijke daders afgewezen. Tot er één werkbaar scenario overbleef. Dat rond de Joodse notaris Arnold van den Bergh. Over hem kreeg Otto Frank kort na de bevrijding een anoniem briefje: hij zou de schuilplaats hebben verraden.

In het boek hebben de onderzoekers op initiatief van oud-FBI-man Vincent Pankoke drie criteria gehanteerd om de verrader aan te duiden: kennis, motief en gelegenheid. Iemand moet kennis hebben gehad van de onderduik, een reden om die door te geven aan de SD en moet in de gelegenheid daartoe zijn geweest. Het is een variatie op het in opsporingsonderzoeken gebruikte ‘axioma’ van middelen, motief en gelegenheid. Overigens zegt het voldoen aan die drie voorwaarden nog niet zoveel. Het gebruik van dit kader is eerder een manier om mogelijke verdachten uit te sluiten dan om te bewijzen dat iemand iets heeft gedaan.

Volgens de onderzoekers had Van den Bergh de kennis, het motief en de gelegenheid om de schuilplaats te verraden. Maar eigenlijk hebben ze geen enkel van deze drie punten voldoende onderbouwd.

Het eerste criterium, dat van de kennis: Wist Van den Bergh dat er Joodse onderduikers op de Prinsengracht 263 zaten? In de samenvatting van het onderzoek staan termen als: ‘bijna zeker’, ‘moet toegang gehad hebben’, ‘mogelijk’, ‘had gemakkelijk’ . Alle vier zinnen over dit cruciale deel van het onderzoek bevatten een onzekerheid.

De kwestie draait onder andere om de vraag of de Joodsche Raad lijsten had van onderduikadressen. De onderzoekers zeggen dat diverse mensen over dergelijke lijsten hebben gesproken. Ze nemen daarom aan dat die bestaan. Maar zo’n lijst hebben ze niet gevonden.

Tunnelvisie

De tweede vraag is uiteraard of Van den Bergh, die lid was van de Joodsche Raad, die veronderstelde lijsten had. In de opsomming van de feiten die volgens hen op het verraad door Van den Bergh wijzen, staat onder meer dat dergelijke lijsten in Westerbork werden opgesteld. Maar Van den Bergh zat niet in Westerbork. Hoe kwam hij dan aan die lijsten? En of Prinsengracht 263 op z’n veronderstelde lijst stond? Niemand weet het; het had gemakkelijk gekund, schrijft Sullivan op basis van het onderzoek.

Een andere vraag die opkomt is wat er met de andere adressen van de veronderstelde lijsten is gebeurd. Daar wordt niet op in gegaan. Misschien omdat er geen aanwijzingen dat de nazi’s ooit dergelijke lijsten hebben gekregen.

Het veronderstelde motief van Van den Bergh was lijfsbehoud. Maar het idee dat hij zijn leven heeft behouden door lijsten met onderduikadressen aan de nazi’s te geven gaat heel ver. Bijvoorbeeld omdat Van den Bergh tegen die tijd moet hebben kunnen weten dat iedere ‘gunst’ van de nazi’s aan Joden slechts ‘bis auf Weiteres’ gold.

Had hij de gelegenheid? Ja, zeggen de onderzoekers, want Van den Bergh had eerder tijdens de bezetting contacten met nazi’s of hun handlangers. Maar de stap naar contacten met de SD wordt dan weer niet stevig onderbouwd. De vraag waar Van den Bergh aan het eind van de oorlog verbleef, wordt in het boek niet opgehelderd. Hij is niet opgepakt, dat is zo goed als zeker. Maar was hij op een plek van waaruit hij de SD kon informeren? Dat blijkt niet uit het boek.

Het lijkt erop dat de onderzoekers in de loop van hun jarenlange onderzoek een tunnelvisie hebben ontwikkeld. Ze hebben hun eigen bevindingen niet zo kritisch beoordeeld als eerdere onderzoeken.

Toen Van den Bergh als enige mogelijke ‘dader’ nog in beeld was, was de focus gericht op belastende zaken. Want op het anonieme briefje na, is er geen enkel fysiek bewijs tegen Van den Bergh, alleen maar circumstantial evidence.

Onbewezen stelling

Maar de onbewezen stelling dat Van den Bergh de verrader was, gebruiken de onderzoekers om een aantal onverklaarde uitspraken van Otto Frank en helper Mies Gies te duiden. Zo had Miep Gies ooit gezegd dat de verrader in 1960 al overleden was. Van den Bergh overleed in 1950. Zo lijkt het puzzelstukje steeds beter te passen. Maar dit zijn hooguit aanwijzingen, en mogelijk dwaalsporen.

De veronderstelling van de onderzoekers is dat Gies en Frank wisten wie het verraad heeft gepleegd, maar dat niet aan de grote klok wilden hangen. Onopgehelderd feit in deze theorie is het gegeven dat Frank het anonieme briefje dat op Van den Bergh wees aan de politie heeft gegeven.

Mijn vertrouwen in de FBI is niet gegroeid door het lezen van dit boek. Het werk van de onderzoekers blijft uit te komen op een reeks aan speculaties, veronderstellingen en redeneringen. De opzet om een onderzoek te baseren op harde en niet eerder bekende feiten is uitgelopen op een gedachtenconstructie die doet denken aan politiewerk dat leidt tot gerechtelijke dwalingen.

Doodsvonnis

Dat het heel lastig kan zijn een verrader te ontmaskeren, komt sterk naar voren in het boek over Franci Siffels. Terwijl verzetsmensen argwaan kregen, bleef er ook lange tijd twijfel. Misschien had ze toch haar leven gebeterd? Kon zo’n onschuldig lijkende vrouw dit hebben gedaan? Moest ze niet nog een kans krijgen? En als het waar blijkt te zijn, wat dan?

Uiteindelijk werd het doodsvonnis door leden van het verzet tegen haar uitgesproken. Ze werd op een amateuristische en gruwelijke manier gedood, haar lichaam in een haastig gedolven graf begraven.

Waarom Franci zo ver ging in haar verraad, blijft een beetje een raadsel. Wat was haar motief? Aandacht? Het gevoel niet meer terug te kunnen omdat ze anders zelf gearresteerd zou worden? Uiteindelijk, en zonder af te doen aan haar eigen verantwoordelijkheid, was zij ook een instrument in de handen van een machtige partij, de SD.

Zijn onbeantwoorde vragen uit het verleden te onderzoeken als een criminele cold case? Eigenlijk zijn vanaf het begin af aan vraagtekens te zetten bij die aanpak. Wat maakt een Amerikaanse politieman die undercover onderzoek deed naar drugsbendes geschikt voor het uitpluizen van een Nederlandse kwestie uit de jaren veertig? Een frisse blik, is het antwoord van de onderzoekers. Maar de keuze voor zo iemand sorteert voor op een wie-heeft-het-gedaan-benadering.

Vernauwing

En de vraag ‘Wie verraadde Anne Frank?’ leidt tot een vernauwing van het blikveld. Er zijn nu eenmaal verschillen tussen een strafrechtelijk en een historisch onderzoek. Op die verschillen beroepen de onderzoekers zich achteraf: ze voerden geen historisch onderzoek uit. Maar misschien is er een reden dat historici zich bezighouden met onderzoek naar het verleden in een niet-strafrechtelijke context. Een van de eerste dingen om je af te vragen als historicus, maar ook als andere onderzoeker, is of de juiste vraag wordt gesteld.

Er is uiteraard een verlangen om te weten wie Anne Frank en haar lotgenoten heeft verraden. We willen het kwade kunnen aanwijzen, om het te kunnen bezweren. Maar de historische werkelijkheid is dat in Nederland een zeer groot deel van de Joden zijn weggevoerd. En dat van diegenen die onderdoken, velen zijn verraden. Dit onderzoek en dit boek helpen niet om daar mee om te gaan, maar zet een dwaalspoor uit. Wie wil lezen hoe verraad kan werken, is beter uit met het boek van Erik Schaap.

(Visited 128 times, 1 visits today)

Geen reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.