De ondergang van het Avondland – Oswald Spengler

oktober 4, 2017

AvondlandBijna honderd jaar geleden verscheen het eerste deel van Der Untergang des Abendlandes van Oswald Spengler in Duitsland. Het werd een wereldberoemd boek en in Duitsland bleef het altijd in druk. Nu pas verschijnt de eerste Nederlandse vertaling van De ondergang van het Avondland, in twee kloeke delen van samen 1200 pagina’s.
Wat is de kracht van het boek en wat zijn de zwaktes? Wie was Spengler en wat zegt dit boek nu nog? Een bespreking in drie delen.

1. Het boek

“In dit boek wordt voor het eerst een poging gewaagd het verloop van de geschiedenis op voorhand te bepalen.” Dat is de eerste zin van het eerste deel van De ondergang. Die geeft gelijk Spenglers grootste ambitie en pretentie weer: hij gaat vertellen wat er gaat gebeuren met de cultuur van het Avondland. Spengler denkt in de toekomst te kunnen kijken omdat iedere cultuur zich volgens vaste patronen ontwikkelt. Die culturen doorlopen altijd dezelfde cyclus. Ze onderscheiden zich wel door hun ‘ziel’, maar de fases die ze meemaken zijn net zo bepaald als die van het jaar, met een lente, zomer, herfst en winter. En dat geldt voor verschillende domeinen, van filosofie tot wiskunde, van politiek tot cultuur. De ontwikkeling van de beschavingen verloopt volgens een natuurlijk ritme.
Hiermee verzet hij zich tegen het vooruitgangsidee. In plaats van dat ‘de geschiedenis’ of ‘de mensheid’ steeds beter wordt, begeeft die zich in rondjes. De ene cultuur bouwt niet voort op de andere, maar begint steeds opnieuw. De Verlichting, om maar wat te noemen, was niet uniek voor de westerse cultuur, maar is een fase in iedere cultuur.

Opnieuw beginnen is tegelijk een herhaling. Spengler voert die gedachte heel ver door. Napoleon lijkt niet op Alexander de Grote, maar is Alexander. Ze komen op hetzelfde moment voor in het verloop van hun cultuur, zijn gelijktijdig.
Die opvatting over culturen leidt ook tot een niet-eurocentrische benadering. De oudheid en de westerse wereld staan niet boven de beschavingen van India, China, Egypte, Babylon, Mexico of de Arabische wereld. Hij verwerpt ook de indeling oudheid – middeleeuwen en moderne tijd, die al een bepaalde ontwikkeling veronderstelt. De westerse beschaving begon volgens Spengler zo’n duizend jaar geleden, niet in het oude Rome, laat staan bij de oude Grieken.
Zijn visie leidt ook tot een fragmentatie van de mensheid. Er is geen mensheid, als ideaal dan. Culturen en naties begrijpen elkaar nooit volledig. Net zo min als individuele mensen, voegt hij eraan toe.

Faust

De ‘ziel’ – Spengler houdt nogal van woorden als ‘ziel’, ‘geest’, ‘lot’ en ‘bloed’ – van de westerse cultuur is faustisch. Dat is naar Faust van Goethe, die zijn ziel verkocht aan de duivel om oneindige kennis te verwerven. De westerse mens erkent geen grenzen aan zijn kennis en andere activiteiten. Daarom wil die de hele wereld beheersen en zelfs nog verder gaan. The sky is the limit, om maar in moderne termen te zeggen.
Dat is te zien in de ontdekkingstochten, de hartstocht voor het snelle verkeer, maar ook in de olieverfschilderkunst. In die faustische toestand wordt voortdurend iets geëist. ‘Gij zult’, om het in ouderwetse woorden te zeggen. In andere culturen ontbreekt dat idee. De meester in India of China doet iets voor en dat kan je dan volgen of niet.
In het Westen wordt steeds naar een doel toegewerkt, in een opeenvolging van steeds betere dingen of vormen. En dat idee is overheersend. “Wie de ‘vooruitgang’ bestrijdt, beschouwt deze activiteit toch zelf als een vooruitgang.”
Dit is een van de boeiendste inzichten van Spengler. De grenzeloosheid van de westerse cultuur is heel herkenbaar. Dat gaat van het idee dat we altijd wel rijker, wijzer etc kunnen worden tot de plannen om andere planeten te gaan koloniseren.

Van cultuur naar civilisatie

Spengler maakt een scherp onderscheid tussen cultuur en civilisatie, twee woorden die in het dagelijks gebruik nogal verwant zijn. De civilisatie is het laatste stadium van een cultuur, de decadente vorm daarvan. Cultuur is geestelijk, civilisatie is materieel. Civilisatie is het “uitdoven van het vormgevend vermogen van het zieleleven.”
In de civilisatie gaan de wereldsteden overheersen. De haat van Spengler tegen de wereldstad en alles wat daarmee samenhangt is honderd jaar na dato nog voelbaar. De bewoner van de wereldstad is ‘een parasiet’ zonder traditie, ‘areligieus, intelligent, onvruchtbaar, met een diepe aversie tegen de boerenstand.’  De wereldstad, de ‘demonische steenwoestijn,’ staat voor kosmopolitisme in plaats van Heimat.
Deze steden zullen steeds verder groeien. “Ik voorzie – lang na het jaar 2000 – stadsaanleg voor steden van tien tot twintig miljoen mensen.” De groei had hij goed voorzien, maar hij was nog te voorzichtig.
De stad zuigt het land uit, “onverzadigbaar steeds nieuwe stromen mensen eisend en verslindend.” De ‘laatste mens’ die hier leeft krijgt geen kinderen meer. Er begint een ‘ontvolking’. Het volk wordt een massa van makke schapen.
Er komt een streven naar wereldvrede op, een beweging van wereldverbeteraars en wereldburgers die leidt tot een vormloze massa van fellah. Spengler leende dat woord uit het Arabisch, van een soort boeren die buiten de cultuur staan.
In democratie gelooft Spengler niet. Democratie is plutocratie, de macht van het geld. Dat heeft alles te maken met de opkomst van de derde stand sinds de Franse Revolutie. Liberalen en socialisten drukken alles in geld uit.

Het Avondland

Bij de cultuur van het Avondland is in de negentiende eeuw de overgang naar de civilisatie ingezet, en dus naar de ondergang. De geest van het geld gaat domineren. De ‘caesars’, nieuwe heersers, gaan met materiaal en massaliteit pronken. Die ondergang gaat de eerste eeuwen van het derde millennium beslaan, maar was toen Spengler dit schreef al duidelijk te bespeuren. Dit is een standaard vaardigheid van de ziener: hij ziet de toekomst al in het heden, de eerste voortekenen zijn zichtbaar. “Men kan de toekomst voorvoelen, en er bestaat een blik die diep in haar geheimen doordringt, maar men kan haar niet uitrekenen.”
Er breekt een fase van ‘strijdende staten’ aan, een strijd van leven of dood. De laatste hoofdstukken ruiken bijna nog naar de kruitdampen van de Eerste Wereldoorlog en de overtuiging dat er nog meer geweld aankomt. Maar in plaats van de politiek van partijen en staten verschijnt de privé-politiek van de caesars, de ‘ongeremde machtswil van een handvol rasmensen’. De tijd van idealen en grote denksystemen is al bijna voorbij.

Geld is de grote corrumperende macht. En daarbij komt in de laatste paragrafen van het boek nog de techniek, die autonoom wordt en van dienaar van het leven de tiran wordt. De westerse mens gebruikt die techniek om te sturen. De natuur wordt onder het juk gebracht. “De hele cultuur is in een bedrijvigheid terecht gekomen waaronder de aarde beeft.” Hier klinkt Spengler bijna als een ecoloog die het antropoceen voorspeld. Maar de mens heerst niet, maar wordt beheerst.
Het caesarisme maakte uiteindelijk een eind aan die dictatuur van het geld en de democratie. Een van de laatste zinnen van dit lijvige werk is: “Het gaat in de geschiedenis om het leven en altijd alleen om het leven, het ras, de triomf van de wil tot macht en niet om de overwinning van waarheden, uitvindingen of geld.”  

2. Conservatisme

Spengler stelt zijn weergave van de ontwikkelingen van cultuur voor als een objectieve beschouwing. Dat is immers als een natuurlijke gang van zaken, net als het verloop van de seizoenen of de levensfases van een mens.
Hij pretendeert geschiedenis vrij te maken van het persoonlijk vooroordeel, maar slaagt daar juist niet in. Dit is, ondanks de bijna encyclopedische omvang, een zeer gekleurd werk.
Het is duidelijk waar zijn voor- en afkeuren liggen. Hij predikt een moreel conservatisme, waarin traditie, religie, het platteland worden geëerd. Het leven in de civilisatie is kunstmatig, ontworteld, naar buiten gericht. “Ons staat het na 2000 te wachten.”
De afstandelijkheid die hij zegt te betrachten houdt hij niet vol. Dit is ook een zeer spirituele benadering van de geschiedenis en de mens: een cultuur is eigenlijk een ziel. Het lot bepaalt de toekomst, niet de causaliteit. Het idee dat de mens de geschiedenis kan bepalen met doelmatigheid en begrippen als verlichting en humaniteit, verwerpt hij.
Spengler spreidt een enorme kennis ten toon, een grote eruditie. Het is onmogelijk om al zijn beweringen op waarde te beoordelen.
Het boek als geheel is tamelijk onoverzichtelijk en zit vol herhalingen en mysterieuze opmerkingen. (Niet voor niets heeft de uitgever een site geopend met samenvattingen). Als hij iets wil betogen lanceert hij vaak een driebander af om via twee culturen en vier tijdperken een punt te maken. Als hij iets wil vertellen over iets wat niet deugt, zijn het vaak de Romeinen of de Engelsen die als voorbeeld dienen.
Dezelfde redenering komt vaak op verschillende plekken terug, en sommige delen van het betoog lijken in de uitwijdingen verloren te gaan.

Oswald Spengler

Met de figuur van Oswald Spengler hoeven we ons nauwelijks bezig te houden. Hij was een gymnasium-leraar die totaal onbekend was toen het eerste deel van de Ondergang uitkwam. Dat veranderde toen snel, in twee jaar tijd verschenen er achttien drukken van. Hij ontwikkelde zich tot een depressieve en hypochondrische cultuurfilosoof, aldus historicus Frits Boterman.
Hij maakte deel uit van een golf van onrust, die rond en na de Eerste Wereldoorlog door Europa ging. Denk aan de revoluties in Duitsland en elders, Dada, de val van de monarchieën en de komst van nieuwe staten. Het sombere wereldbeeld van Spengler was in deze tijd ook in andere landen sterk aan aanwezig, zoals in het latere werk van Huizinga en van de Brit Arnold Toynbee. Er was een wereld aan het verdwijnen.
Veel is er gespeculeerd en geschreven over de toenmalige politieke betekenis van het werk van Spengler. Bot gezegd: was hij een wegbereider van de nazi’s? Het simpelste antwoord is: nee. In de loop van de jaren dertig keerde hij zich duidelijk tegen het nationaal-socialisme en het antisemitisme. Hij was wel een bewonderaar van Mussolini.
Toch is de verhouding ingewikkelder. Met zijn ideeën tegen de moderniteit, gesymboliseerd door de wereldstad, en zijn afkeer van democratie en liberalisme, ondermijnde hij mede het toch al wankele fundament van de Weimar-Republiek, zoals Frits Boterman terecht schrijft. Hij overleed in 1936, voordat het Derde Rijk zijn versie van de ondergang van het Avondland had verwezenlijkt.

3. De eeuwige ondergang van het Avondland

De Ondergang is op vele manieren te lezen. Je kan het beschouwen als een werk dat een bepaalde fase van de intellectuele ontwikkeling van Europa en Duitsland weergeeft. Hoe past het in die tijd van de Eerste Wereldoorlog, revolutie en contrarevolutie? Daarin speelt het zeker een belangrijke rol.
Je kan het verwerpen als een onleesbaar werk van een fantast, die van alles overhoop haalt. Daar zit wel wat in, het is vaak een duister geschrift.
Je kan het serieus nemen als een geschiedfilosofisch werk en de poging om ‘de geschiedenis op voorhand te bepalen’ analyseren. Dat lijkt me voor het grootste deel onzin. Culturen zijn geen organismes die seizoenen doorlopen volgens een van te voren uitgestippeld pad. Bloei en verval zijn morele termen. Wat voor de een verval is, is voor de ander bloei. En culturen zijn ook geen biljartballen die zich afzonderlijk door een koud universum bewegen of op onvermijdelijke confrontaties afstevenen; ze zijn vaak met elkaar in contact, beïnvloeden elkaar en zijn intern verdeeld.
En je kan het beschouwen als een actueel werk dat ook over onze tijd nog veel zegt. Door de grote ambitie van het werk en de vele boude en verreikende stellingen leent het zich daar voor een hedendaagse interpretatie.

Pegida

Van dit werk gaat duidelijk een fascinatie uit die voorbij zijn eigen tijd reikt. Dat blijkt uit de recente vertaling, maar ook uit de voortdurende beschikbaarheid van de Duitse versie. En er zit een levende, politieke kracht in. Het begrip ‘Avondland’ werd weer als strijdbegrip gebruikt door de Patriottische Europeanen tegen de Islamisering van het Avondland, kortweg Pegida. De conservatieve lading bleef behouden.
Overigens was Spengler er niet op uit om de westerse cultuur op een voetstuk te plaatsen.
Een van de inzichten van Spengler is juist dat geen van de culturen ‘een bevoorrechte plaats’ inneemt. Dat is boeiend in een tijd waarin politici graag de superioriteit van de westerse cultuur willen aantonen en misschien nog leerzamer voor de Pegida-aanhangers..
Spengler is een meester in de analogieën. Alexander is Napoleon. En deze manier van redeneren kun je natuurlijk makkelijk doorzetten. Trump is Nero of Tiberius. Waarom niet? Maar dergelijke analogieën zijn eigenlijk vooral gemakzuchtig.  

Baudet

Voor een deel is Spengler populair omdat zijn afkeer van de moderne verschijnselen als kosmopolitisme, wereldsteden, partijen, liberalisme en socialisme en dergelijke aansluit bij een hernieuwde conservatieve golf. Conservatief neergangsdenken is weer volop aanwezig en Spengler voorziet dat van een intellectueel blazoen. Soms zijn de echo’s van Spengler overduidelijk te horen zoals in de afkeer van Thierry Baudet van moderne architectuur en het uitvoerige pleidooi van Tom Zwitser tegen het liberalisme.
We zijn honderd jaar verder, maar het Avondland is niet ten onder gegaan.  Uiteraard zijn er tal van problemen, maar het faustische denken – het streven naar grenzeloosheid en de doelgerichtheid –  is misschien wel sterker verbreid dan ook. De waarden die Spengler wilde verdedigen staan onder druk en zijn voor een deel overwonnen of teloor gegaan. Misschien is zijn Avondland ten onder gegaan. Maar dat zegt lang niet alles over het Avondland.

Samenvatting
Review Date
Boektitel
De ondergang van het Avondland - Oswald Spengler
(Visited 430 times, 242 visits today)

Geen reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *