Op de ruïnes van het imperialisme – Pankaj Mishra

november 11, 2013

imperialismKorte inhoud:  Dit boek biedt inzicht in het denken over westerse overheersing in de negentiende en twintigste eeuw in het gebied van Turkije tot Japan. De schrijver probeert het fenomeen van de westerse overheersing van  ‘de andere kant’ te bekijken, van de kant van de ontvangers en dan via  ‘enkele van de intelligentste en sensitievste mensen’. Het beschrijft vrij uitvoerig het doen en laten en de opvattingen van een aantal in het Westen vrij onbekende politieke denkers, die worstelden met de vraag hoe ze de westerse overheersing konden combineren met hun eigen traditionele cultuur. Wat moest het antwoord zijn op de overmacht van het Westen: nationalisme, islamisme, confusianisme, militarisme? Mishra trekt de lijnen door tot het heden, waarin sommige landen hun achterstand inlopen en andere niet of nauwelijks.
Stelling van het boek: Het Oosten heeft de overheersing door het Westen nooit klakkeloos geaccepteerd, maar ook geen sluitende manier gevonden om daar mee om te gaan.
Stijl: Beschrijvend en analyserend. Mix van biografie  en ideeëngeschiedenis. Z

Geschikt voor: anti-imperialisten, BRIC-gelovigen en declinisten.

Ga hier naar de recensie van het boek Tijd van Woede van Pankaj Mishra.

De overheersende rol van het Westen in de voorbije eeuwen is de laatste tijd onderwerp van een stroom boeken. Pankaj Mishra bekijkt die ontwikkeling van de kant van de onderworpenen, maar dan via diegenen die er over nadacht hun land, cultuur en religie zich moest verhouden tot het Westen? Aanpassing, adaptatie, of terug naar de traditie?

Heilige oorlog

Een van zijn hoofdpersonen is Jamal al-Din al-Afghani (1838-1897). Hij was een rusteloos type: hij verbleef in India, Afghanistan, Iran, Londen, Istanboel. In weerwil van zijn naam (‘de Afghaan’) werd hij in Iran geboren. In de jaren zestig van de negentiende eeuw had hij voor het eerst een politiek rolletje, toen hij de emir van Afghanistan aanraadde met de Russen samen te werken tegen de Britten. Het was het begin van een levenslange worsteling met de vraag hoe weerstand te bieden tegen de westerse overheersers.
Navolging van de westerse praktijk, zoals in Japan gebeurde, was niet overal haalbaar. In het Ottomaanse rijk was dat geprobeerd, maar zonder veel succes.
Al-Afghani wees op het belang van modern onderwijs. Hij leek het belang van de islam, en zeker van een al te letterlijke uitleg daarvan, te relativeren. Het bracht hem in conflict met conservatieve geestelijken. Volgens hem waren religieus fanatisme en politieke tirannie de twee fundamentele kwaden van het Oosten. Nationalisme zag hij als een oplossing. En binnen de islam was ruimte voor hervormingen.
Maar na betrekkelijke korte tijd verandert hij van opvatting. Panislamisme en heilige oorlog worden zijn nieuwe motto’s en daarmee wordt hij een voorloper van fundamentalistische en extremistische bewegingen, van de Moslimbroederschap tot Al Qaida. Volgens Mishra was hij echter geen fundamentalist. Die conclusie is voor debat vatbaar, waar hij in dezelfde alinea stelt dat voor Al-Afghani kritiek op religie gevaarlijk vond omdat daarmee het ‘morele fundament van de samenleving werd ondermijnd.’
Mishra probeert het beeld van Al_Afghani als uitsluitend een voorloper of grondlegger van het islamisme te nuanceren. Hij dacht ook over het moderniseren van de islam. Maar zijn uniciteit was vooral dat hij ‘het Westen’ en de islam tegen over elkaar stelde.

Pan-Azië

In China en omstreken worstelden intellectuelen vooral met de mix van traditionele overtuigingen, modernisering, nationalisme en panazianisme. China was een speelbal geworden van buitenlandse machten, waaronder Japan. In 1895 werd China vernederd, het verloor de zeggenschap over stukken grondgebied aan de kust. Kang Youwei, een aspirant-ambtenaar, stelde de keizer in een petitie voor om het land te moderniseren, maar wilde het confusianisme in ere houden. Liang Qichao (1873-1929) was een van zijn medestanders, maar keerde zich af later van hem af.
Een paar jaar na hun petitie kregen Kang en Liang de kans hun plannen in de praktijk te brengen. Ze werden adviseurs van de keizer, maar na honderd dagen was het met hun invloed gedaan.
Liang vluchtte naar Japan, het Aziatische land dat al was gemoderniseerd. Hij radicaliseerde: waar hij eerste het keizerlijk gezag in China in stand wilde laten, keerde hij zich daar tegen. Het voldeed niet en moest weg, anders zou China de strijd om het bestaan niet overleven. Democratie, zoals hij die in de Verenigde Staten zag in het begin van de 20e eeuw, was geen alternatief.

Tagore

Aziatische nationalisten werden ook na afloop van de Eerste Wereldoorlog teleurgesteld. Die bracht geen verandering in de verhoudingen in Azië. Hun hoop was aanvankelijk gevestigd op de Amerikaanse president Woodrow Wilson. Maar ‘zijn retoriek over zelfbeschikking was, hoewel schijnbaar algemeen geldig, gericht op de Europese volken.’ In China werd met protesten gereageerd: de 4 Mei-beweging ontstond: een nieuwe generatie die minder door het traditionele China was beïnvloed. Communisme ontpopte zich tot een alternatief.
Maar er ontstond ook een stroming die zich intellectueel en spiritueel afwendde van het Westen. Liang herontdekte de gunstige kwaliteiten van Confucius.
Dat was, met enig onderscheid, ook de boodschap van Rabindranath Tagore, een Indisch denker en spiritueel leider. Het Oosten was gericht op sociale harmonie en spirituele bevrijding, het Westen op materiaal gewin, uitbreiding van de eigen macht en vergroting van de politieke vrijheid. Tagore’s boodschap was populair, hij  won in 1913 de Nobelprijs voor de Literatuur. Het was misschien wel voor het eerst dat het Westen met open armen een criticus uit het Oosten ontving en in ieder geval een van de weinige stemmen uit Azië die toendertijd gehoord werd.
Maar zijn boodschap werd niet door alle oosterse intellectuelen en activisten met instemming begroet. Hij werd door communisten en anderen als een dromer gezien. En zijn opvattingen konden niet op tegen het nationalisme, zoals dat in Japan steeds sterker werd.

Dekolonisatie

Na 1945 dekoloniseerde Azië. Maar de strijd tussen moderniteit en traditionalisme blijft. De Chinese communisten maken nu weer gebruik van confucianistische begrippen als ‘harmonieuze samenleving’ en vestigen in het buitenland Confucius-instituten. Maar is dat meer dan een poging van de communisten om hun heerschappij te voorzien van een traditioneel laagje vernis?
In de islamitische wereld is de terugkeer van traditionele vormen, of de schijn daarvan, nog scherper. De volksislam was niet te negeren en de radicale vormen manifesteerden zich in diverse vormen. Mishra besteed vrij uitgebreid aandacht aan Sayyid Qutb. De tegenstelling tussen het Westen en de islam, door Al-Afghani al geponeerd, werd nog groter. Leren van het Westen was er niet meer bij, alleen totale verwerping. Dit idee van een totaal verdorven Westen, dat moreel bankroet is, is op veel plekken terug te vinden.
Verwant hieraan is het idee van de ‘westoxificatie’, gemunt door de Iraanse intellectueel Jalal Al-e Ahmad, een mengeling van vergiftiging en betovering.

Vooruitgang

De voedingsbodem voor dergelijke opvattingen is niet verdwenen, volgens Mishra. Integendeel: ‘De islam is en blijft een gigantisch kruitvat dat elk moment kan ontploffen.’ Maar een nog groter probleem vormt het opkomende China. In de negentiende eeuw verwoordde Rudyard Kipling al de angst voor een machtig China.

In de laatste pagina’s van het boek krijgt het betoog een verrassende wending. Er is geen ‘universeel overtuigend antwoord’ op de politieke en economische ideeën van het Westen. In India en China profiteert een ‘protserige elite’ die zich westerse genoegens verschaft van de economische voorspoed en is ongelijkheid toegenomen. Grote delen van India zijn in opstand en in de rest heerst voor delen grote armoede. In China is het voor een deel hetzelfde: kijk naar de onderdrukking van Oeigoeren en Tibetanen en de vernietiging van het milieu: gebrek aan drinkwater en zelfs adembare lucht doen zich voelen.
Mishra voorziet grote economische en militaire conflicten in de 21e eeuw. In het Midden-Oosten doen die zich al voor.
Daarmee is dit geen lofzang geworden op de bloei van de opkomende economieën, of op de denkers die al vanaf de negentiende eeuw het imperialisme analyseerden. Het nieuwe Azië is net zo ongelijk, verdeeld, en gevaarlijk als het oude onder de imperialisten. Wie zoekt naar vooruitgang, komt aan het eind van dit boek bedrogen uit.

De korte en sombere epiloog werpt ook een ander licht op die denkers die de lijnen van de afgelopen decennia vrolijk doortrekken en de suprematie van het Oosten voorspellen. Als het Oosten een aantal wezenlijke conflicten niet oplost of op zijn minst aanpakt, is een verdere opkomst zeer lastig. De praktische zaken als ongelijkheid, corruptie en de positie van minderheden zijn daarbij een grote zorg, de intellectuele uitdaging is zo mogelijk nog groter.

 

(Visited 314 times, 2 visits today)
Samenvatting
Review Date
Boektitel
Pankaj Mishra, Op de ruïnes van het imperialisme
Waardering
41star1star1star1stargray

Geen reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.