Een moeilijke jeugd – Loes de Fauwe

november 17, 2008

jeugd.jpgDe jeugdzorg lijkt in een voortdurende crisis te verkeren. Gebrek aan geld, wachtlijsten die maar groeien, personeel dat wegloopt, directeuren die tot vertrek worden gedwongen. De kinderen die aan jeugdzorg zijn toevertrouwd zijn daar de dupe van.

Deze problemen zijn niet nieuw, zo blijkt uit het boek Moeilijke jeugd van mijn Parool-collega Loes de Fauwe. Ze ging met oud-kinderrechter Anita Leeser naar haar pensionering op zoek naar oud-pupillen. Hoe was het met hen verlopen nadat de kinderrechter in hun leven had ingegrepen? Waren ze beter van geworden? Het levert een reeks aangrijpende verhalen op, waaruit de les misschien is dat hulp alleen maar bij mensen werkt die zichzelf kunnen helpen.

Anita Leeser (1935)  overleefde met haar moeder concentratiekamp Bergen-Belsen. Daarna was ze geen kind meer, schrijft De Fauwe. Spelen kon ze niet meer en de omgang met kinderen werd nooit vanzelfsprekend. En voor ze kinderen uit huis plaatste dacht ze nog eens extra na.  En ze hield er een hekel aan over voor hele strenge opvoedingsinstituten, zeker als er collectief gestraft wordt, zoals in Glen Mills.

We stappen in dit boek regelrecht in het leven van de oud-pupillen. Ze spreken uitvoerig met en over de voormalige pupillen. We leren ze kennen, en komen te weten hoe ze eruitzien, hoe ze hun dagen vullen. Het zijn verhalen van verstoting, mishandeling, misbruik, verslaving, verwaarlozing in fysieke en psychische zin. En als een paar van die dingen samen komen, spreekt men tegenwoordig van multi-probleem gezinnen. Ellende wordt van generatie op generatie doorgegeven. We ontmoeten voormalige krakers, allochtonen die voor galg en rad opgroeiden, maar ook kinderen uit een redelijk welvarend milieu die nog getraumatiseerd zijn nadat hun moeder op jonge leeftijd overleed.

Ellende wordt soms generatie op generatie doorgegeven. Bizar genoeg leidden sommige kinderen een leven dat bijna een exacte herhaling is van het leven van de ouders. Soms hoort Leeser meer dan ze wist toen ze de beslissingen over de kinderen nam.
Tegelijk bieden de verhalen zicht op hoe de hulpverlening de afgelopen decennia te werk is gegaan. Die identificeerde zich vroeger zeer sterk met de pupil. Hulpverleners schreven rapporten in de ‘ik-vorm’ alsof ze namens en voor de jongere spraken. Een ander boeiend teken van de tijd waren de uitkeringen voor weggelopen kinderen van 14 jaar. Dat komt nu absurd over, maar is niet absurder dan de huidige bureaucratische afrekencultuur waarin jeugdzorg een kwestie is geworden van managers en caseload waarbij gezinsvoogden makkelijke dossiers niet afsluiten omdat ze daarmee aan hun quota kunnen voldoen.

Regelmatig komt in het boek terug dat in 1995 de wet werd veranderd waardoor de kinderrechter meer op afstand kwam te staan. De periodieke contacten tussen kinderrechter en pupil waren sindsdien verleden tijd. Leeser ziet dat duidelijk als een van de oorzaken van de achteruitgang.

Het boek biedt op een zeer persoonlijke manier zicht op de problemen van de hulpverlening die Jos van der Lans in zijn boek Ontregelen beschrijft. Waar Van der Lans de zaak van boven- en buitenaf benadert, duiken Loes de Fauwe en Anita Leeser helemaal in de praktijk.
Het lijkt zo voor de hand te liggen om op zo’n manier eens te kijken wat het effect is van het ingrijpen door de overheid. Maar de opmerking van een ‘topdeskundige’ uit de jeugdzorg, die vindt dat dit werk aan de opleidingen moet worden gebruikt, doet vermoeden dat dit niet gebruikelijk is.

Het boek is nogal omslachtig opgeschreven. Iedere ‘case’ wordt vanuit meerdere perspectieven beschreven. Maar in die verhalen is er uiteraard nogal wat overlap. Loes de Fauwe heeft van de levens van de pupillen niet een verhaal gemaakt, maar dat vaak eerst verteld aan de hand van het dossier, en dan door de ogen van die persoon zelf en van andere betrokkenen, zoals de ouders of pleegouders. Dat leidt tot herhaling.

Het boek is daarmee dikker geworden dan strikt noodzakelijk is. Deze benadering heeft echter ook een voordeel. Er ontstaat niet één dwingend verhaal, maar verschillende werkelijkheden of op zijn minst verschillende perspectieven op wat er gebeurd is. Leeser en De Fauwe trekken aan het eind hun conclusies, maar de lezer kan dat uiteraard ook zelf doen.

Een oplossing biedt dit boek niet direct. Voor een groot deel is het effect van ingrijpen afhankelijk van de inzet van de individuele hulpverlener, wordt geconstateerd. De ‘goede gezinsvoogd’ is betrokken, maar kan streng zijn, bindt zich aan de pupillen, maar laat zich niet meeslepen. Een beetje zoals Leeser opereerde als kinderrechter en zoals een aantal voorbeeldige voogden die in dit boek voorkomen ook werkten. De kinderen die van hot naar her worden geschoven, die steeds worden geweigerd bij allerlei instellingen omdat ze te jong, te oud, te slim, te dom of iets anders zijn, hebben het veel zwaarder.

Die persoonlijke binding is natuurlijk van belang. Maar de organisatie van de hulpverlening moet dat ook mogelijk maken. De afrekencultuur met zijn ‘prestatie-indicatoren’ werkt dat in feite tegen door strakke normen te stellen. “De ruimte voor bevlogenheid is minder,” zegt ‘topdeskundige’ René Bruijn in een gesprek met Leeser en De Fauwe. Er zijn natuurlijk nog wel gezinsvoogden die wel op die manier werken. Maar die moet je moet maar net treffen. Je moet dus een beetje geluk hebben als je een moeilijke jeugd hebt

Loes de Fauwe, Een moeilijke jeugd. De zoektocht van Anita Leeser, kinderrechter (2008)

(Visited 673 times, 3 visits today)
Samenvatting
Review Date
Boektitel
Een moeilijke jeugd, Loes de Fauwe
Waardering
41star1star1star1stargray

Geen reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.