The Utility of Force – Rupert Smith

maart 11, 2007

futilityOorlog bestaat niet meer. En dat is geen goed nieuws. Want de ouderwetse, ‘industriële’ oorlogen uit het verleden hebben plaatsgemaakt voor schijnbaar eindeloze confrontaties en conflicten. De oorlog vindt niet meer op het slagveld plaats, maar tussen de mensen. Een militaire overwinning valt niet te behalen, hooguit kunnen soldaten de omstandigheden zo beïnvloeden dat op andere manieren de uitkomst te beïnvloeden is.

Het westen is slecht voorbereid op deze ‘war amongst the people’, is de boodschap van Rupert Smith, voormalig hoog officier van het Britse leger. Kijk maar naar Irak, Afghanistan of iets langer geleden, de oorlogen in Vietnam en Algerije. Maar de organisaties en ook de ideeën bleven hangen in het tijdperk van de industriële oorlogen, die begon met de Napoleonitsche oorlogen en eindigde met de twee wereldoorlogen. Dat waren confrontaties waarin landen elkaar op leven en dood bevochten, met de volledige inzet van hun bevolkingen en economieën. Het dieptepunt daarvan waren de jodenvervolging en de massale bombardementen op Japanse en Duitse steden. Dit zijn de oorlogen waarin staten verschijnen en verdwijnen. Ze volgden een vast patroon: vrede-crisis-oorlog-oplossing. Er is een duidelijk onderscheid tussen ieder van de fases.

Maar al eerder was een nieuwe vorm van oorlogvoering ontstaan: de guerrilla, letterlijk de kleine oorlog. In Spanje vochten kleine groepen volgens dit nieuwe ‘paradigma’ tegen de troepen van Napoleon. Ze vochten slechts op hun voorwaarden, probeerden niet het land te bezetten, en vielen de vijand op zijn zwakste punt aan. Op die manier werden er tienduizenden soldaten aan het Spaanse front gebonden.

Deze manier van strijd leveren werd de tegenhanger van de industriële oorlog. De Koude Oorlog was ook geen oorlog, stelt hij terecht. Het was een langdurige confrontatie die op sommige fronten met wapens werd uitgevochten. Maar de introductie van kernwapens maakte ‘gewone oorlog’ onmogelijk.

Smith beschrijft allerlei bekende en minder bekende campagnes. Niet in alle gevallen lijkt dat even noodzakelijk voor de lijn van zijn betoog. Grote delen ervan kunnen bij de lezers die dit boek ter hand nemen wel min of meer bekend worden verondersteld. Dat geldt dan misschien niet voor de strijd in de Oekraïne, waar na het einde van de Tweede Wereldoorlog de partisanen de strijd tegen de Sovjet-Unie voortzetten. Ook de campagne van de Britten in Brunei hoort niet tot de bekendste conflicten. Maar dat de successen van de Britten om Soekarno de voet dwars te zetten uiteindelijk mede aanleiding waren voor een ‘bloodless coup’ waarbij Soeharto aan de macht kwam, is een fout. Dit was immers een zeer gewelddadige periode in de Indonesische geschiedenis.

Smith noemt zes kenmerken van war amongst the people.

  • Het doel: Het gaat niet meer om een het forceren van een beslissing, maar om het scheppen van omstandigheden waaronder een oplossing wordt gevonden.
  • De locatie: Het gevecht vindt niet meer op het slagveld plaats, maar tussen de mensen.
  • De tijd: De strijd lijkt eindeloos te duren.
  • De inzet: Het gaat erom de kracht te behouden, en niet om alles te riskeren.
  • Innovatie: Er worden steeds nieuwe toepassingen gevonden voor wapens en organisaties.
  • De partijen: De strijdende partijen zijn geen staten, maar bondgenootschappen tegenover groepen.

 

Iedereen kan zien dat deze kenmerken voor een groot aantal van de conflicten uit het verleden en heden opgaan. Smith doet dat aan de hand van Bosnië, waar hij zelf actief betrokken was.
Maar het kan ook voor bijvoorbeeld Afghanistan: de militairen van ISAF en de Verenigde Staten kunnen geen beslissende slag leveren met de tegenstanders. Het doel is uiteindelijk, in de termen van Smith, de wil van de mensen. Zij moeten beslissen dat ze beter af bij de door het westen gewenste min of meer democratische, centraal geleide staat, dan bij het alternatief van de tegenstanders.
Het gevecht vindt plaats in dorpen en steden, maar ook in de onherbergzame gebieden. Ook al is de toegang beperkt voor de media, toch vindt de strijd plaats onder het oog van de wereld.
Niemand kan zeggen hoelang het gaat duren. Er wordt gesproken over tien of twintig jaar. Het wordt de Nederlanders soms verweten te terughoudend te zijn in Uruzgan, maar in feite is dat een gradueel verschil met het optreden van anderen. Innovatie is te zien bij de tegenstander, die strijdmethoden uit Irak overneemt. Maar ook het hele idee van wederopbouw in combinatie met vechten kan als vernieuwing worden gezien. En de partijen zijn niet simpelweg staten. De afstemming tussen alle lidstaten van de Navo, met al hun voorbehouden en wensen vergt veel tijd. Een voorbeeld: de Duitsers gaan Tornado-straaljagers naar Afghanistan sturen, maar die mogen alleen voor verkenningsvluchten gebruikt worden, niet voor gevechtsmissies. Voor een militaire organisatie maakt dat het lastig en reken maar dat de tegenstander dergelijke zaken uitbuit.

Herhaaldelijk stelt Smith dat de strijdkrachten van het westen nog niet zijn voorbereid en toegesneden op de nieuwe vorm van strijd. Ze zijn in het tijdperk van de industriële oorlogsvoering blijven steken. Het is heel lastig om daaruit te komen, zelfs voor de Britten die dertig jaar lang tussen de mensen in Noord-Ierland vochten. Hij trekt daar wel enkele lessen uit, zoals de noodzaak om zo min mogelijk en dan zo gericht geweld te gebruiken. Maar veel van de wapensystemen zijn er juist op gericht om zoveel mogelijk vernietiging aan te richten. Ernstiger nog is de achterstand in het denken en de verwachting dat het sturen van troepen tot een militaire overwinning moet leiden. In plaats daarvan moet er een goede planning komen, waarbij ook wordt nagedacht over de vraag wat men er uiteindelijk over heeft om het gewenste doel te bereiken.

Een belangrijk onderdeel is ook het vergroten van kennis over de vijand. Met de ‘digitalisering van het slagveld’ ontstaat het risico dat militairen steeds meer over hun eigen kant weten en steeds minder over de tegenstander.

De boodschap van het boek van Smith is duidelijk: ‘we’ moeten anders over oorlog, gewapende strijd, confrontaties en conflicten gaan denken. Niet meer zwart-wit, zoals in Nederland ook vaak gebeurt over de missie in Afghanistan. Het is niet vechten of opbouwen, het is niet militair of humanitair. Het ingewikkelde is dat het dit allemaal tegelijk is, en dat in een vreemd land. De grote vraag is of de westerse landen het uithoudingsvermogen hebben om daar iets te presteren. Het belangrijkste wat in dit boek mist is juist het perspectief van die tegenstander. Hoe zien de Taliban, Hezbollah en de Iraakse opstandelingen de strijd? Dit boek gaat, wat op zich wel verklaarbaar is, uit van het uitgangspunt van de westerse hoge militairen.

Smith is niet de eerste die op de nieuwe strijdvormen wijst. Maar anderen hebben die vaak aangeduid als assymetrische oorlogsvoering. Smith vindt dat onzin. Hij wijst erop dat iedere oorlog assymetrisch is, de tegenstander zal altijd de opzet van de ander pogen te doorkruizen. Dit zijn de gevechten van de toekomst en het is van belang om te zorgen dat de force  weer nut heeft. Smith denkt daar systematisch over na, waardoor de vergelijkingen met Sun Tzu en Clausewitz niet van de lucht zijn. Of dit werk een vergelijkbare invloed zal hebben, moet uiteraard nog blijken.

Rupert Smith, The utility of force. The art of war in the modern world.

(Visited 153 times, 1 visits today)
Samenvatting
Review Date
Boektitel
The utility of force - Rupert Smith
Waardering
41star1star1star1stargray

Geen reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.