Kroonprinsenleed – Ed van Thijn

oktober 24, 2008

kroonprinsToen hij aftrad als wethouder sprak Rob Oudkerk over een ‘stofje’ dat het politici moeilijk maakt om hun eigen gedrag op een rationele manier te beoordelen. Daardoor gaan ze soms rare dingen doen en verandert hun waarneming. Ze zien niet meer wat anderen wel zien, bijvoorbeeld dat hun houdbaarheidsdatum is verstreken.
Ed van Thijn, oud-van alles maar blijvend actief als schrijver, publiceerde onlangs een boek dat onder andere gaat over verslaving aan de macht. Want dat is een van de redenen dat opvolging in de politiek vaak zo moeizaam gaat. Macht is een drug, zo citeert hij een journalist. En die verslaving maakt het lastig om tijdig het stokje over te dragen. Met alle problemen van dien voor de machthebbers en hun opvolgers. Uit de voorbeelden die Van Thijn de revue laat passeren blijkt dat beiden zwaar beschadigd kunnen raken.

Deze reeks doet denken aan de uitspraak van de omstreden Britse politicus Enoch Powell “All political careers end in failure.” Van Thijn zegt het hem na. “Er zijn weinig voorbeelden bekend van kopstukken die een politiek zachte dood zijn gestorven.”
Van Thijn beschrijft sommige opvolgingskwesties als buitenstaander. Zoals de Franse presidents-kandidaat Ségolène Royal, die aan de ontbijttafel haar partner François Hollande verraste met de mededeling dat zij ‘ervoor’ zou gaan. De ‘olifanten’, de oude kopstukken uit de socialistische partij, hadden weinig vertrouwen in haar en haalde haar na haar nederlaag genadeloos onderuit. Of Helmut Schmidt die nadat hij Willy Brandt was opgevolgd als bondskanselier verkondigde dat ‘de firma Bondsrepubliek’ zich ‘op de rand van een faillissement’ bevond.

De interessantste hoofdstukken gaan over de episodes waarbij Van Thijn zelf op een of andere manier betrokken was. Dat waren er nog al wat, beginnend met het vertrek van PvdA-fractievoorzitter Jaap Burger (‘bullebak’) in 1962. Daarna kwam Anne Vondeling, die minister van Financiën en vice-premier werd in het kabinet- Cals. Hij verloor daarna snel zijn populariteit. Binnen de partij groeide de onvrede omdat men vreesde voor de volgende verkiezingen. Met een medestander stapte Van Thijn op hem af. Hij stelde voor dat Joop den Uyl Vondeling zou opvolgen. Die nam het hem niet kwalijk. En hij stelde zich ook loyaal op ten opzichte van zijn opvolger. Hij was een man ‘zonder listen en lagen’, zei Den Uyl. Daarvan zijn er niet veel in dit boek, schrijft Van Thijn. En dat is maar goed ook, want anders was het een braaf boek geworden. Het echte kroonprinsenleed van de PvdA zit natuurlijk rond de opvolging van Den Uyl. Die gebruikte de verlokking van opvolging zelfs om bij toenmalig minister van Financiën Wim Duisenberg meer geld los te troggelen voor de Oosterschelde. Later noemde hij Wim Kok de beste kandidaat. Van Thijn zelf had ‘niet de minste ambitie’ om politiek leider te worden, al was hij jarenlang de rechterhand van Den Uyl.
Omdat Kok niet beschikbaar was, en Den Uyl andere mogelijke kandidaten niet hoog had zitten, ging hij door. Hij stapte in 1981 opnieuw het kabinet in, nu onder Dries van Agt. Dat leidde tot een snelle afbladdering. Van Thijn en een aantal kopstukken zagen dat ook in de houdbaarheidsdatum van de grote leider was verstreken en zeiden hem dat. Den Uyl wilde echter niet wijken. Van Thijn is nu verbijsterd over de harde woorden die hij destijds tegen Den Uyl sprak. Maar was het niet gewoon waar dat Den Uyl over zijn top heen was?
De volgende dag was de opstand voorbij. Den Uyls macht was nog te groot. Een aantal kroonprinsen viel daarna af, als laatste Jos van Kemenade die lang twijfelde. En zelfs toen Kok kwam, stelde Den Uyl voor dat hij de fractie nog een jaartje zou leiden.
In dit hoofdstuk leunt Van Thijn sterk op de beschrijvingen van Den Uyl-biograaf Anet Bleich. Het is jammer dat hij hier niet zijn eigen analyse geeft, maar laten we maar aannemen dat hij die van Bleich deelt. Verslaving aan de macht, het idee een missie te moeten vervullen, de angst voor het zwarte gat, en het gevoel onmisbaar te zijn bleven Den Uyl maar voortdrijven.

Het CDA maakte het met de opvolging van Ruud Lubbers nog bonter. Lubbers kreeg genoeg van zijn ongeduldige kroonprins Elco Brinkman en maakte bekend een stem op nummer drie van de lijst, Ernst Hirsch Ballin, uit te brengen. ‘Een kamikaze-actie,’ noemt Van Thijn dat. Ook hier was er een persoonlijke betrokkenheid van Van Thijn, hij was net op het moment dat Lubbers zijn opvolging aan het regelen was, even minister van Binnenlandse Zaken. Lubbers noemt hij een ‘fenomenaal politicus’maar wel die de kaarten zo dicht tegen zijn borst hield dat anderen er onzeker van werden. Over Hans Wiegel, de VVD-mastodont, is hij heel wat kritischer. Maar Wiegel heeft met zijn interventies, laatstelijk ten gunste van Rita Verdonk, ook wel eens misgegrepen, om het mild uit te drukken.
Het meeste venijn reserveert hij voor Dries van Agt, eind jaren zeventig en begin jaren tachtig de kwelgeest van de sociaaldemocraten. Het steekt Van Thijn nog steeds deze politicus afkeer had van de politiek. Voor Van Agt geen verslaving aan de macht. Hij begon aan bijna iedere klus, of het nu in het kabinet was of als lijsttrekker, met tegenzin.
Dat maakte hem volgens Van Thijn een ‘anti-democraat’. Volgens hem bedreef Van Agt politiek op een manier die hij zelf verafschuwde en ging hij ervan uit dat alles geoorloofd was. Het is bijna aandoenlijk om te zien dat na een jaar of dertig de ergernis niet gesleten is.

Die persoonlijke betrokkenheid is de kracht en de zwakte van dit boek. We krijgen niet alleen een beschrijving uit de boeken, maar ook vanuit de achterkamer van iemand die erbij is geweest. Veel afstand tot de gebeurtenissen levert dat dus niet op.
Ook de analyse is niet altijd even sterk. Volgens hem is Kok slachtoffer geworden van het een misverstand rond het begrip ideologie. Zijn omschrijving van ideologie als ‘een naar zijn aard totalitair begrip’ is te simplistisch. De sociaal-democratie had de ideologie afgezworen in 1917 maar wel een samenhangende maatschappijbeschouwing. Het onderscheid tussen maatschappijbeschouwing en ideologie is natuurlijk niet haarscherp te leggen. Waarom zouden er geen niet totalitaire en niet-totalitaire ideologieën kunnen zijn? Het probleem met Kok was niet dat hij de ene ideologie vaarwel zei, maar dat hij niet (expliciet) een andere omarmde. Er bleef slechts pragmatisme over dat jarenlang in de paarse kabinetten uitstekend werkte, maar uiteindelijk niet bestand bleek tegen de opkomst van nieuwkomers. Tijdens de campagne van 2002 had de PvdA letterlijk geen antwoord op de analyse die Pim Fortuyn maakte van de multiculturele samenleving.
Daarbij speelde weer een opvolgingskwestie een rol. Kok had in een vroegtijdig stadium aangekondigd plaats te maken voor Ad Melkert. Later kwam hij tot de overweging dat het misschien beter was geweest de oude rot dat klusje te laten klaren.

De strijd binnen de partij om de macht kan hels zijn. In de personendemocratie is die vaak net zo belangrijker dan de strijd tussen partijen. Daar wordt de koers bepaald en bij verkiezingen is steeds meer te winnen. “The winner takes all,” of het nu Bos, Marijnissen of Fortuyn is.
Over de jongste lichting leiders laat hij zich niet uit, om te voorkomen dat hij zelf als een olifant gaat tetteren. Daarmee mist hij de recente ontwikkeling dat VVD en PvdA hun leider via een verkiezing onder de leden kiezen. Maar maakt het veel uit? Idealiter verwerft de nieuwe leider op die manier dankzij de steun van de achterban gelijk een sterke positie. Dat het niet altijd zo gaat, heeft de VVD al bewezen. Daaruit blijkt dat Van Thijns observatie dat er geen goed recept is voor de opvolging ook nu nog opgaat.

Waardering: 3half-sterren 

Ed van Thijn, Kroonprinsenleed, Machtswisselingen in de politiek (2008)

(Visited 244 times, 1 visits today)

Geen reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.