Een voet tussen de deur – Eric Duivenvoorden

december 23, 2007

krakenIn januari 1965 begon het, op kleine schaal, in de Generaal Vetterstraat. Echtparen, sommigen met colbert en stropdas, ‘redden’ een pandje door het te bezetten. Ze stonden aan de vooravond van een van de rumoerigste protestbewegingen van het naoorlogse Nederland, waarvan de geschiedenis eindelijk is vastgelegd.

Koningin Beatrix riep het in haar recente televisie-interview nog maar eens in herinnering. In 1980 waren veel mensen ontevreden en ongelukkig. Die onvrede uitte zich op de dag van haar inhuldiging in massale rellen in Amsterdam. Samen met andere ‘krakersopstanden’ maakten de gebeurtenissen op 30 april volgens socioloog en filosoof Eric Duivenvoorden 1980 tot het meest bewogen jaar sinds de Tweede Wereldoorlog.

Staatsarchief

Duivenvoorden waagde het als eerste om een redelijk volledig overzicht te geven van de geschiedenis van de kraakbeweging, met een sterke nadruk op Amsterdam. Hij verkeerde daarvoor in een bijzondere gunstige positie, omdat hij jarenlang het ‘Staatsarchief’ beheerde, een verzameling documenten van de kraakbeweging. Eerder maakte hij met Joost Seelen de documentaire De stad was van ons over de machtsstrijd binnen de kraakbeweging. Duivenvoorden, zelf ex-kraker uit de Staatsliedenbuurt, voerde daarvoor en voor dit boek vele gesprekken met zijn voormalige strijdmakkers.
Het goed geschreven Een voet tussen de deur is een geschiedenis van binnenuit. Het perspectief ligt overduidelijk bij de krakers. De identificatie neemt soms erg uitgesproken vormen aan. Zo had minister van Justitie Van Agt ‘de pest aan krakers’ en na een bezetting van de raadszaal is ‘het geweeklaag onder de notabelen natuurlijk niet van de lucht’. Huisjesmelkers zijn ‘louche’ en projectontwikkelaars ‘nietsontziend’.

Erger is dat ‘de autoriteiten’ niet serieus worden genomen. Dat blijkt al uit het gebruik van bronnen. Documenten van bijvoorbeeld de gemeente of de politie worden nauwelijks benut, of ze moeten toevallig bij een actie door krakers zijn ontvreemd en zo in het Staatsarchief zijn beland. Omdat de geschiedenis van één kant wordt geschreven, ontstaat zo geen volledig beeld.

Politieke vleugel

Over de krakers zelf is Duivenvoorden iets te terughoudend. Terwijl actievoerders uit de jaren zestig en zeventig met naam en toenaam worden genoemd, komen er naar het eind van het verhaal steeds minder namen in voor. Alleen het beruchte duo Theo van der Giessen en Jack Lieshout wordt genoemd in het hoofdstuk over de opkomst en ondergang van de Politieke Vleugel van de Kraakbeweging, in zekere zin het hoogtepunt van het boek. Worden hier reputaties beschermd?

Duivenvoorden maakt onderscheid tussen een politieke en een culturele stroming binnen de kraakbeweging. Zijn belangstelling ligt duidelijk bij de politieke kant. Toch ontkomt hij, door een lijn te construeren en zich te richten op een beperkte groep, aan een pure opsomming van kraak tot kraak en van ontruiming tot ontruiming. Hij ziet de ontwikkeling van de kern van de kraakbeweging (1979-1986) als een strijd tussen de aanhangers van de harde lijn en rekkelijken, die de kraakbeweging meer zien als een los samenhangende groep actievoerders, zonder al te veel ideologie.

Het dagelijks leven van de krakers en hun culturele activiteiten komen er wat bekaaid vanaf. Het interne functioneren van kraakgroepen is aan de beknopte kant weergegeven. Zoals Duivenvoorden zelf schrijft, er zijn nog vele verhalen over de kraakbeweging te vertellen. Zijn boek biedt wel een goed uitgangspunt voor verdere studies.

Hoge Raad

Stukje bij beetje wordt duidelijk dat de groei en bloei van de kraakbeweging voor een groot deel te danken was aan bewust beleid van de overheid, of in ieder geval van delen daarvan. Kraken was mogelijk door twee arresten van de Hoge Raad van de bescherming van bezit en huisvrede uit 1914 en 1971. Buiten Amsterdam stond de jeugdhulpverlening aan de wieg van kraakgroepen. In Amsterdam was het een lid van de Stuurgroep HAT (Huisvesting Alleenstaanden en Tweepersoons Huishoudens) dat de krakers attent maakte op zes leegstaande panden aan de Keizersgracht. Na de kraak werd dat de Groote Keijser, het pand dat kraken nationaal in de belangstelling bracht.

In de Staatsliedenbuurt tipte deurwaarder Braan de kraakgroep als er een woning ontruimd zou worden. Omdat de krakers dan met een ‘menigte op de stoep’ stonden, kon de ontruiming wegens overmacht niet doorgaan. Toen dit ritueel zich eind 1981 voor de vijftigste keer had voltrokken, kreeg de deurwaarder van de tevreden krakers een vergulde koevoet.

Een prachtvoorbeeld van de buigzaamheid van de bestuurders toonde ook wethouder E. Heerma, die de krakers van het grote kraakpand Wijers een alternatief bood. De toezeggingen van Heerma zouden in een interview in het actieblad Bluf! worden gepubliceerd, maar de redactie stak daar een stokje voor. ‘Bluf! moet stelling nemen, de politici aanpakken, niet met deze verantwoordelijken discussiëren. Interviews in Bluf! mogen nooit ‘open gesprekken’ zijn, ze moeten worden omgewerkt naar de argumenten waar het om gaat,’ was de motivering van de afwijzing. De uitgestoken vinger van de gemeente, een groot deel van de pakhuizen aan het Entrepotdok, werd afgewezen.

Confrontatie

De kraakbeweging gedijde dankzij de Nederlandse compromiscultuur, maar weigerde daarvan deel uit te maken. Kraken was streven naar een confrontatie, met ‘het systeem’, de politie of desnoods met elkaar. Deze eigenschap van de kraakbeweging wordt door Duivenvoorden terecht benadrukt. Dat aanpassing niet mogelijk was, toonden al die aangekochte kraakpanden, die binnen de kortste tijd het karakter van vrijplaats verloren. Achter het kraken zat geen langetermijnvisie, en omdat krakers zich met het hier en nu bezighielden en niet aan carrièreplanning deden, zijn ze nu niet op vooraanstaande posities te vinden.

Duivenvoorden heeft een ironisch oordeel over de resultaten van de kraakbeweging. De ergste woningnood is verdwenen, en ook andere idealen van de krakers werden bereikt. Extreemrechts is zijn vuur kwijt, apartheid afgeschaft, kerncentrales worden gesloten en vrouwen maken een ‘onstuitbare opmars’ in het openbare leven. Maar, zo relativeert Duivenvoorden, de kraakbeweging heeft hierin hooguit de rol van aanjager gespeeld. Verzet tegen de rechtsorde en het daarbij horende geweld waren geschikte middelen om die ontwikkelingen in een stroomversnelling te brengen.

Eric Duivenvoorden, Een voet tussen de deur. Geschiedenis van de kraakbeweging 1964-1999

Deze recensie verscheen op 5 mei 2000 in Het Parool.

 

Zie hier voor een nieuwe online versie van het boek

(Visited 181 times, 1 visits today)

Geen reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.